Il faut cultiver notre jardin – Voltaire

In mijn favoriete gedicht van de romantisch Duitse dichter Friedrich Hölderlin, Der Gott der Jugend wordt de lezer opgeroepen om een bacchanaal te houden ter ere van de God der jeugd, die immers nog over ons heerst (Hölderlin drukt zo een gevoel uit dat we heden ten dage ook wel als quarter life crisis bestemmen, het imperatief zich aan de voorbijgaande jeugd te laven omdat zij bijna voorbijgegaan is – dat de rijpste vruchten al deels overrijp zijn en daarom des te meer geproefd moeten worden). Het refrein luidt:

So such im stillsten Tale
Den blütenreichsten Hain,
Und gieß aus goldner Schale
Den frohen Opferwein!
Noch lächelt unveraltet
Des Herzens Frühling dir,
Der Gott der Jugend waltet
Noch über dir und mir.

We moeten ons laven aan het leven omdat er nog te leven valt. De God der jeugd heerst immers nog over ons. De tragische ondertoon is dat we de schoonheid van de jeugd pas echt aanschouwen in het licht van de nog-jeugd, het voorbijtrekkende karakter ervan (in de eerste regel schrijft Hölderlin: “Gehn dir im Dämmerlichte”; het licht van de vroege morgen én de vroege avond). De nog-jeugd is te genieten, en moet genoten worden, maar zij is daarom des te beklemmend, en verenigt daarmee in zich de hoop en schoonheid van het nog opkomende leven, en de al ingetreden ondergaande zon van de sterfelijkheid. Ik zal het voor nu daarbij laten, deze tekst moet eigenlijk niet over Hölderlin gaan, al valt me dat zwaar.

Über die Haine

Waar ik de aandacht op wil vestigen, is het woord ‘Hain’, waar dit jeugdig bacchanaal plaats zou moeten vinden. Het Duitse woord ‘Hain’, wat in banale zin zoiets als ‘bosje’, of juist ‘mooie plek in het bos’ betekent, is niet geheel in het Nederlands vertaalbaar, omdat ze ook de connotatie heeft van een plaats van verering en een lustoord. Deze connotatie van verering wordt (volgens Wikipedia dan…) aan Maarten Luther toegeschreven. Het gaat dus om een bosachtige plek met een herdenkend aura, een plek waar men graag komt om ergens bij stil te staan, een genotsplek van hogere betekenis.

Herinneringen, gevoelens, of ideeën kunnen plaatselijk belichaamd zijn: een plaats, monument of oort komt voor een betekenisvolle herinnering of gedachte te staan en krijg zo een zelfoverstijgende betekenis, verankerd in de plaats die zij is – zo leert ons de Franse herinneringskundige Pierre Nora in zijn theorie over de Lieux de Mémoires. Plaatsgebondenheid en gedenken zijn dus intiem met elkaar verbonden. De mens heeft plekken nodig om te gedenken, te denken, of zich gewoonweg aan de eigen geest te laven.

De tuin een plek van verering noemen lijkt wellicht wat overtrokken en de gemiddelde mens heeft tegenwoordig ogenschijnlijk überhaupt niet zoveel op met de eigen tuin, zodat ze deze het liefst platgooid en met beton overgiet (er bestaat/bestond een Instagram-account dat ’tuintransformaties’ van groene paradijsen naar tegelterreur vastlegde en ik heb dit een aantal jaar geleden moeten ontvolgen omdat ik er te gedeprimeerd van werd), maar in wezen is dit het wel. De tuin is een plek om simpelweg te zijn en de ’tuinheid’ te aanschouwen. Men cultiveert deze naar eigen inzicht, omdat het een plek is met als enige functie om fijn te zijn, het is een plek waar er bij de alledaagse (veelal kleinburgerlijke) geneugden stil gestaan wordt. in deze zin is ook de gewone vinex-achtertuin een Hain.

Een digitale Hain

Het idee van Digital gardening komt misschien het best tot zijn recht als het vaag gehouden wordt. Net als een tuin wordt het gecultiveerd naar eigen inzicht, en is het bedoelt als ook niet veel meer als een plek van de fijne dingen. Aan deze ‘gecultiveerde fijnheid’ heeft de moderne mens een groot gebrek, zo is de gedachte. Het moderne internet is een groot plein, waar de ellendige wetten van zien en gezien worden gelden en waar de absolutistisch geregeerde platforms bepalen wie, wat en waar gezien wordt, wie er met wie praat en hoe; het is een plek waar we, gekidnapt door onze behoefte aan socialiteit, het algoritmische labyrinth in gestuurd worden, alwaar we klikkend en scrollend langs reclamezuilen voor de techbazen een zelfverkozen slavenbestaan moeten leiden. En terecht groeit de haat.

Men is ontevreden over het internet, zo kunnen we wel stellen. Het groeiend ongenoegen aan de totale overname en verpaupering van het sociale wezen, de enigmatische schermverslaving waar we met z’n allen ingerold zijn, en de uitbuiting van de techplatforms voor het politiek gewin van hun bazen doet men bijna vergeten dat de technologie waarop ze stoelen, het internet, ook zoveel moois en fijns in het leven kan brengen.

Het is mijn overtuiging dat het onbehagen dat we ervaren de onvrijheid is waar het moderne internet men in probeert te lokken, het worden tot een instrument van het gewin van zijn uitbaters. Maar wie het vroegere internet heeft meegemaakt – en voor wie dit leest zal dat zeker ook wel zo zijn – weet dat het anders kán, en dat het beter toen was. Het ‘aanleggen’ van een digitale tuin voltrekt zich in deze geest, in de poging ons weer vrij tot het internet te verhouden en de mogelijkheden en vrijheid die het biedt ook vollediger te gebruiken. Zo ontstaat een digitale plek die ons aan deze vrijheid herrinerd, waar we deze vrijheid kunnen gedenken – wat ik zelf als een digitale Hain wil zien.

Hölderlins internet

En net zoals Hölderlins bloezemende Hain in het schemerlicht stond van een naderend einde van de liederlijkheid, ook zo lijkt het internet zijn glans verloren te hebben met zijn tret richting de volwassenheid, en dus is een plek waar men het internet weer mooi en fijn probeert te laten zijn noodzakelijkerwijs ook een ode aan dit jongere internet, dat we hoewel niet geheel verloren, desalniettemin aan het verliezen zijn. En dus heet ik u van harte welkom in mijn digitale tuin, nisje, antiquariaat, of toch gewoon Hain. U hoeft de uwe zeker niet aan te leggen met dezelfde overcomplexe of pretentieuze motieven, geniet er simpelweg van. Want als het internet niet meer te genieten is, dan zijn die uren per dag die we in de digitale wereld staren nog minder waard dan verspeelde tijd, dan is het een regelrechte straf.

En zo hoeft het niet te zijn.

Gehn dir im Dämmerlichte,

Wenn in der Sommernacht

Für selige Gesichte

Dein liebend Auge wacht,

Noch oft der Freunde Manen

Und, wie der Sterne Chor,

Die Geister der Titanen

Des Altertums empor,

Wird da, wo sich im Schönen

Das Göttliche verhüllt,

Noch oft das tiefe Sehnen

Der Liebe dir gestillt,

Belohnt des Herzens Mühen

Der Ruhe Vorgefühl,

Und tönt von Melodien

Der Seele Saitenspiel,

So such im stillsten Tale

Den blütenreichsten Hain,

Und gieß aus goldner Schale

Den frohen Opferwein!

Noch lächelt unveraltet

Des Herzens Frühling dir,

Der Gott der Jugend waltet

Noch über dir und mir.

Wie unter Tiburs Bäumen,

Wenn da der Dichter saß,

Und unter Götterträumen

Der Jahre Flucht vergaß,

Wenn ihn die Ulme kühlte,

Und wenn sie stolz und froh

Um Silberblüten spielte,

Die Flut des Anio,

Und wie um Platons Hallen,

Wenn durch der Haine Grün,

Begrüßt von Nachtigallen,

Der Stern der Liebe schien,

Wenn alle Lüfte schliefen,

Und, sanft bewegt vom Schwan,

Cephissus durch Oliven

Und Myrtensträuche rann,

So schön ists noch hienieden!

Auch unser Herz erfuhr

Das Leben und den Frieden

Der freundlichen Natur;

Noch blüht des Himmels Schöne,

Noch mischen brüderlich

In unsers Herzens Töne

Des Frühlings Laute sich.

Drum such im stillsten Tale

Den düftereichsten Hain,

Und gieß aus goldner Schale

Den frohen Opferwein,

Noch lächelt unveraltet

Das Bild der Erde dir,

Der Gott der Jugend waltet

Noch über dir und mir.