Het volgende citaat van Sartre, dat ik ooit tijdens een voordracht haastig heb opgepend en dus waarschijnlijk meer een parafrase is en ook niet eens in het originele Frans, treedt de afgelopen tijd regelmatig ongevraagd mijn geest binnen:
This is what fools people; a man is always a teller of tales, he lives surrounded by his stories, and the stories of others. He sees everything that happens to him through them and he tries to live his life as if he were recounting it – But you have to choose: to live, or to recount.
Dat zet mij voor een vervelend dilemma. Ricoeur en Heidegger leren ons (of in ieder geval degene met een gelukkig genoeg leven om ze te mogen lezen ;)) dat de zelf, wie wij zijn, een functie is van het narratieve. We proberen onszelf te begrijpen door ons leven in een verhaalstructuur te plaatsen, en we moéten proberen onszelf te begrijpen, want anders kunnen we niet leven; dan zouden we alleen maar een losse verzameling erratische handelingen zijn zonder overkoepelende structuur of eenheid. Om over een persoon te spreken die bepaalde dingen doet, plannen heeft en kwaliteiten bezit, is om van zijn leven een verhaal te maken. Dit is wat we altijd doen als we over onszelf nadenken.
Leven als een pendule
Maar Sartre, die al vanaf jonge leeftijd geobsedeerd was met het ‘verhaal van zijn eigen leven’ en zijn dagboek als een autobiografie schreef (waarvan de vreemdheid een beetje tekort gedaan wordt door het feit dat de beste man wereldberoemd is geworden en deze tekst nu ook écht als autobiografie gebruikt wordt), zegt ons dat we óf leven, óf vertellen. Of we handelen vrij, óf we zijn slechts bezig aan een verhaal te voldoen, ons leven tot een narratief af te vlakken.
Wellicht is het leven zo te begrijpen: als een pendule zwaaien we tussen deze twee modi: vertellen om te leven, leven om te vertellen. Vertellen om te leven, wanneer we ons leven plannen en onszelf, ons leven en de wereld proberen te begrijpen; Leven om te vertellen, wanneer we proberen aan onze eigen verwachtingen, plannen en imago willen voldoen, het leven zo te laten verlopen als we het uitgedacht hebben.
Maar het leven op de twee extremen van deze pendule is haast geen leven te noemen: of we vertellen en plannen alleen maar, en sluiten ons op in de poging te begrijpen wie wij zijn en wat we hier gaan doen en wat werkelijk deel van ons verhaal moet zijn of niet, of we doen wat we doen slechts alleen nog maar ‘voor het plot’, om aan ons eigen plaatje te voldoen terwijl we het leven afvlakken naar het narratief dat we over onszelf hebben opgesteld – of erger nog; aan anderen doorverteld! Want dan leven we volledig en alleen van buitenaf, door andermans ogen. In deze twee schrijngevallen voelen we de pijn van Sartre, zij zijn geen leven, slechts vertelling.
Maar wat gebeurt er tussen die twee uiterste punten, in het héén en weer zwaaien van de pendule? Daar gebeurt het leven in de meest wonderbaarlijkste en banale zin die Sartre probeert aan te stippen: daar wordt gehandeld, gedaan. Het gaat Sartre erom dat we (geheel naar mijn eigen lezing, maar ik leg de groten der aarde graag mijn woorden in de mond) niet proberen leven op het niveau van ‘het leven’, ons gehele levenskroniek van geboorte tot dood, maar leven in de werkwoordelijke zin van leven: dat we ons er-zijn in de wereld vrij vorm geven door te handelen. In deze zin moeten we kiezen tussen vertellen of leven.
The Art Life
Ik ben verliefd op de interviews van David Lynch waarin hij het over ’the art life’ heeft, wat hij zelf tot het uiterste geleefd heeft. Ik smelt weg in romantische (in beide zinnen van dat woord) zwijm als hij bijvoorbeeld schetst:
The art life is a great life, It’s coffee and cigarettes. Maybe some red wine. It’s catching ideas and translating them into one medium or the other (…) It’s just a dream to get in there and find things that you love.
Lynch was een verhalenverteller van het zeldzaamste soort. Zijn liefde voor kunst, koffie, goed eten en sigaretten staat als lichtend baken in werelden waarin het unheimische altijd op de loer licht, of er eigenlijk altijd nét overheen is. Fantastisch als zijn verhalen zijn, het autobiografische blijft altijd proefbaar, misschien wel juist in de banaliteiten. Maar over die banaliteiten: is the art life niet precies het soort verhaal dat we onszelf ophouden, dat ons á la Sartre ervan weerhoudt om echt te leven? Dromen we (of nou ja, ik) niet al te gauw weg bij het beeld van dit leven, en nemen we zo niet de paradox op ons dat hoewel we een leven van schepping ambiëren, we toch het narratief van ons eigen leven niet hebben geschapen?
Maar Lynch was Lynch niet als het omgekeerde waar was. Want de kern van the art life is juist niet dat we erin moeten wegzwijmelen. Integendeel:
The art life is a life lived around working.
Het gaat er om dat we niet in katzwijm vallen met de verhalen die we kennen, dat we al sigarettenlurkend en koffieslurpend de mooie vruchten van de bomen kunnen plukken tot ze leeg zijn, maar dat we constant werken om nieuwe verhalen tot stand te brengen. Dat we vissen naar ideeën en deze vertalen naar welk medium dan ook. Waar je levenskroniek uiteindelijk als een nette tijdlijn met begin, midden en eind uitgerold kan worden, is dat bij het verhaal van het verhaal (waarvan het mijn punt is dat dat het leven zelf is) allerminst het geval. Deze moet met harde arbeid tot stand gebracht worden, uit het steen gebeiteld, ontbloot, geschapen. De pendule van het kunstleven zwaait snel. Er moet veel gedaan worden.
Productie contra consumptie
We raken hier de zenuw van het probleem waar veel van mijn generatiegenoten in verstrikt zijn, dat we vast zijn geraakt in de consumerende modus van het leven. Wat we een ‘content-‘ of ‘schermverslaving’ noemen, komt eigenlijk hier op neer: we zijn vastgeplakt aan het ons laven aan de verhalen van anderen, aan de content die ons gepresenteerd wordt. Wat we moeten vinden van de wereld, waar we heen willen moeten gaan, hoe mooi we wel niet kunnen zijn, wat voor perfecte kleren we wel niet kunnen dragen, hoe geoptimaliseerd onze routine is maar ook hoeveel ruimte we moeten nemen voor onszelf. De content die we nuttigen zegt iets over ons, het is dat wat spreekt tot ons, wat we in ons eigen leven kunnen integreren. Moderne algoritmes hebben dat in no time uitgevogeld en serveren ons zulke aanlokkende narratieven dat we niet kúnnen wegkijken. En dus leven we ons leven niet meer, we kijken alleen nog maar naar het leven van anderen.
Er doet zich een derde doemscenario op. We zitten niet vastgeklampt aan de extremen van de levenspendule, we zijn niet meer Sartre’s levenloze verteller, we verworden tot iets nieuws, een soort anti-verteller. Onze levenspendule komt stil te staan. We komen het narratieve alleen nog tegen als object van consumptie. Als dat waar we naar kijken, wat we willen, maar deze dingen leven, dat kunnen we niet – daarvoor zijn onze schermtijden reeds te hoog.
En dan leert Lynch ons: werk is het antidotum. We moeten maken en niet kijken. Uit onderzoek van de Stanford universiteit is gebleken dat we het consumerende leven (lees, onze schermverslaving) niet doorbreken door te proberen ons consumerende gedrag in te dammen, maar juist door te proberen meer te produceren. Een groep die wordt aangespoord meer tijd te besteden aan creatieve projecten, laat een veel grotere verbetering zien in hun verhouding tot contentconsumptie dan een groep die slechts wordt aangespoord juist te proberen deze consumptie in te dammen. Maar dit zou allerminst verbazingwekkend moeten zijn. Het consumerende leven en het producerende leven staan in een inverse verhouding tot elkaar. Dat is, óf de pendule zwaait, óf hij staat stil.
Ironisch genoeg lijkt het mij ook zo te zijn dat de moeite die velen ervaren met het overwinnen van hun contentverslaving er precies in stamt dat het lastig is om deze verslaving in het narratieve te brengen. We hebben simpelweg moeite om te begrijpen wat de rol van deze gedragscyclus in ons leven is. We voelen ons geen verslaafde en dus voelen we ons ook niet bewogen om hier iets aan te doen, hoewel we dondersgoed weten dat we dit wel zouden moeten doen. Contentverslaving is natuurlijk allerminst een heroïsche verslaving. De kunstenaars van weleer deden zich te goed aan opium, drank of heroïne, en hier zitten wij, vastgeklampt aan onze schermpjes met de mooie lichten. En waar een heroïneverslaafde nog hoffelijk zou toegeven dat hij écht junk is, en dat hij straks weg moet omdat hij vandaag nog moet scoren (ik probeer dit beeld allerminst te romantiseren), zouden we dat nooit over onszelf zeggen. “Sorry dat ik te laat was, ik moest nog even een uur naar Reels kijken voordat ik me lekker genoeg voelde om uit te gaan.” We zeggen het niet, we denken het niet eens. Toch is het wel zo. We zien het leven niet eens meer dat we leiden, we zien alleen nog de ándere verhalen. Het narratieve is buiten ons geplaatst, in de onvatbare digitale stroom.
Ook deze essays zijn een poging om de pendule weer aan de gang te krijgen, om het leven te herwinnen van die verslaving aan de consumptie, het passieve. Máák dingen mensen, máák dingen, ik smeek het u. Het hoeft geen kunst te zijn, het hoeft niet goed te zijn. Het mag een nieuw meesterwerk zijn of een mislukte kleurplaat voor de verjaardag van je vriendin, maar maak het zelf. Hoe meer je er zelf voor moet doen, hoe beter, dan leef je des te meer.
“Sorry dat ik te laat was, ik moest nog even een uur een kunstwerkje afmaken voordat ik me lekker genoeg voelde om uit te gaan.”
Kijk, dat is een verhaal dat het vertellen waard is.
Op het leven.

