Il faut cultiver notre jardin – Voltaire

De volgende column, die moet verschijnen in het Utrechtse filosofisch studententijdschrift ‘De Filosoof’, is het eerste deel van een reeks over mijn ervaringen in Leipzig.

In een duidelijk nog uit DDR-tijd stammend tramstel komen we de laatste bocht voor het Wilhem-Leuschner-Platz doorgeslingerd. Ik besluit bij de net zo genoemde halte uit te stappen en de rest van mijn weg te lopen. Wat een Nederlander meteen opvalt in Leipzig is de hoeveelheid leegte. Waar elke vierkante centimeter van ons volle land uitgedacht, ingevuld en precies afgestemd op al die andere vierkante centimeters moet zijn, het zovele wat er in Nederland op zo weinig plaats gebeurd alleen mogelijk is door het haast mens-ontstijgende wezen aan technologie en administratie waardoor ons onder de zee gelegen land nog het hoofd boven water weet te houden, is er in de grote Oost-Duitse steden na decennia van demografische terugloop, tijdens en vooral in de periode direct ná het bestaan van de DDR, geen enkele noodzaak geweest om de na de tweede wereldoorlog in puin of braakliggende percelen opnieuw in te richten, of de verkrottende Gründerzeit-gebouwen met kapitaalinjecties van gretige projectontwikkelaars eens grondig te renoveren. Wat leeg staat of onbegaanbaar is kon lange tijd simpelweg zo blijven. Als er miljoenen mensen uit je stad verdwenen zijn is er nog genoeg plek voor iedereen.

Ook het Wilhelm-Leuschner-Platz is daar een voorbeeld van. ‘Plein’ blijkt slechts een eufemisme. Het beslaat een gigantisch oppervlak grenzend aan de Ringweg direct om het historische centrum (stel je de Catharijnesingel van vóór 2019 voor), maar meer dan een plak beton en een paar bomen hebben de Leipzigers er niet van gemaakt. Men kan er noch de auto parkeren, noch een broodje bal halen. De decadente Westerse neiging om dit stukje prime real estate vol te proppen met Matcha-latte-tentjes en een Primark is hier niet tot rijping gekomen. Dat is maar goed ook, want deze coworking-spaces zouden het zicht op het sprookjesachtige Neue Rathaus belemmeren. Waar het complex, inclusief Rapunzel-toren, in zowel Game of Thrones als de Efteling niet zou misstaan, moet men acht slaan op het feit dat dit anachronistische stadhuis pas in 1912 opgeleverd is. Het is een hoog staaltje laat-industrieel tijdsbedrog, waar de Duitsers met hun vele voorbeelden aan historistische sprookjeskitsch zo goed in zijn.

Met dit ‘nou-eigenlijk-feitje’ in mijn achterhoofd ging ik zu fuß verder op mijn weg naar de Bibliotheca Albertina, de hoofdbibliotheek van de universiteit Leipzig, die voor één semester ook een beetje van mij is. Het zou weliswaar nooit mijn bedoeling zijn om kritiek te uiten op het knusse Utrechtse Driftcomplex, maar de Albertina is toch wel uit ander hout gesneden. Geheel vervaardigd in neorenaissance stijl, kijken Juno en Minerva je belerend toe bij binnentreden van dit gebouw, alwaar de uitbundige mozaïeken en hoeveelheid marmer men onverbiddelijk de pas doet afremmen. Neorenaissance, ook zo’n voorbeeld van anachronistische namaak, maar als het resultaat zo een verheffende werking heeft moet men wel buitengewoon harteloos zijn om het kitsch te noemen.

Zo buiten de tijd getild bewonderend stond ik in de lobby om me heen te kijken totdat een medestudent (in goed Duits Kommiliton, hier vaste aanspreekvorm voor studenten onderling) mij vroeg wanneer ik dacht dat deze bibliotheek gebouwd moest zijn. Verheugd dat ik eventjes kon koketteren met mijn geheel uit Youtubevideos opgedane architectuurhistorische kennis, zei ik nonchalant: “Oh, zo eind negentiende eeuw denk ik”. Mijn wapenbroeder haalde me al snel uit de droom: “de jaren negentig” riposteerde hij kalmpjes. “Onze jaren negentig?” vroeg ik nog in het onmiddellijke besef dat dit een onbenullige vraag was. “Juist” zei hij, “in 2002 opgeleverd”.

Na een bijna complete vernietiging in de tweede wereldoorlog en decennialang geldgebrek heeft de Albertina een halve eeuw als ruïne in het stadscentrum gelegen, hetgeen de universiteit gedwongen had om over te gaan op het houden van een dozijn aan mini-bibliotheekjes. Pas na de Wende was er geld beschikbaar voor een volledige restauratie, waarbij men het originele ontwerp trouw is gebleven. Wat ik bij deze bieb van Theseus moest voelen wist ik even niet. Ademt zij geschiedenis of is het een werkje Mar-a-Lago-chique?

“Ach, het is altijd een beetje tijdreizen hier” zei mijn Kommiliton nog voordat we afscheid namen. Toen later die dag bleek dat men de printers in de universiteitsgebouwen met contant geld moest betalen, begreep ik wat hij bedoelde.